Strafrecht overig

Opzettelijk aanwezig hebben van 1.650 gram hennep. Innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering door…

Hoge Raad, 21 november 2017

Zaakgegevens

Op 21 november 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 november 2017
Datum publicatie
21 november 2017
Zaaknummer
15/05206
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:2971
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzettelijk aanwezig hebben van 1.650 gram hennep. Innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering door enerzijds een gedeelte van de verklaring van verdachte niet aannemelijk te achten maar anderzijds die verklaring wel voor het bewijs te gebruiken? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/05204 P.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 3 oktober 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:1277
  2. Hoge Raad · 21 november 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:2971

Uitspraak

21 november 2017

Strafkamer

nr. S 15/05206

BKL

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 14 oktober 2015, nummer 21/003411-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 1000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis.

4 Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 950,-, subsidiair 19 dagen hechtenis, bedragen;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2017.