Strafrecht overig

Handel met voorwetenschap, art. 46 Wet toezicht effectenverkeer 1995. Motiveringsklachten en een rechtsklacht…

Hoge Raad, 5 december 2017

Zaakgegevens

Op 5 december 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 december 2017
Datum publicatie
6 december 2017
Zaaknummer
16/02207
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:3074
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Handel met voorwetenschap, art. 46 Wet toezicht effectenverkeer 1995. Motiveringsklachten en een rechtsklacht m.b.t. de verwerping van verweren die zien op het bewezenverklaarde alsmede klachten over de verwerping van enkele uos. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/02206 P.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 7 maart 2016

    ECLI:NL:GHAMS:2016:839
  2. Conclusie A-G · 17 oktober 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:1313
  3. Hoge Raad · 5 december 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:3074

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

5 december 2017

Strafkamer

nr. S 16/02207

AKA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 7 maart 2016, nummer 23/005421-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017.