Strafrecht overig
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op onder oom van klager in beslag genomen Rolex-horloge. Middel over door Rb…
ECLI:NL:HR:2018:2140 · Hoge Raad · 20 november 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2018-2140
Zaakgegevens
Op 20 november 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 november 2018
- Datum publicatie
- 19 november 2018
- Zaaknummer
- 17/01508
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:2140
Samenvatting
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op onder oom van klager in beslag genomen Rolex-horloge. Middel over door Rb gehanteerde maatstaf en begrijpelijkheid ongegrondverklaring beklag. HR: art. 81.1. RO. CAG: Toepasselijke maatstaf is of buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar moet worden aangemerkt en, zo ja, of zich situatie van art. 94a.4 of 94a.5 Sv voordoet. Toepassing door Rb van onjuiste - of in ieder geval niet ter zake doende - maatstaf leidt i.c. niet tot cassatie omdat uit overweging dat klager “niet aannemelijk heeft gemaakt” eigenaar te zijn, volgt dat Rb in ieder geval impliciet aan toepasselijke strengere maatstaf (“buiten redelijke twijfel”) heeft getoetst, terwijl oordeel Rb niet onbegrijpelijk is.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 oktober 2018
ECLI:NL:PHR:2018:1304Hoge Raad · 20 november 2018deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2018:2140
Uitspraak
Inhoudsopgave
20 november 2018
Strafkamer
nr. S 17/01508 B
AJ/EC
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 10 maart 2017, nummer RK 16/2511, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2018.