Strafrecht overig

Medeplegen poging opzettelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr) en openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr)…

Hoge Raad, 4 december 2018

Zaakgegevens

Op 4 december 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 december 2018
Datum publicatie
5 december 2018
Zaaknummer
17/04673
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2251
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen poging opzettelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr) en openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr). Betrouwbaarheid getuigenbewijs. Uos t.a.v. identificatie verdachte door aangever en diens vriendin d.m.v. enkelvoudige fotoconfrontatie. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/03277.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 30 oktober 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1353
  2. Hoge Raad · 4 december 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2251

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

4 december 2018

Strafkamer

nr. S 17/04673

CeH/AGE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 september 2017, nummer 22/002672-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst enM.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2018.