Strafrecht overig

Doodslag. Verwerping (putatief) noodweer(exces). Slachtoffer loopt met een vuurwapen zichtbaar in zijn…

Hoge Raad, 5 juni 2018

Zaakgegevens

Op 5 juni 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 juni 2018
Datum publicatie
5 juni 2018
Zaaknummer
16/01628
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:828
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Doodslag. Verwerping (putatief) noodweer(exces). Slachtoffer loopt met een vuurwapen zichtbaar in zijn broeksband naar auto waarin verdachte zich bevindt, waarop verdachte op korte afstand meermalen met vuurwapen in de richting van slachtoffer schiet, waardoor slachtoffer in borst wordt geraakt en komt te overlijden. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 23 maart 2016

    ECLI:NL:GHDHA:2016:4248
  2. Conclusie A-G · 10 april 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:313
  3. Hoge Raad · 5 juni 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:828

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

5 juni 2018

Strafkamer

nr. S 16/01628

KD/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 maart 2016, nummer 22/001750-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J.Y. Taekema en A.L. Pöll, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van negen jaren.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze acht jaren enzes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2018.