Strafrecht overig

Belaging van zijn voormalige vriendin, art. art. 285b.1 Sr. Bewijsklacht wederrechtelijkheid. HR: art. 81.1…

Hoge Raad, 25 juni 2019

Zaakgegevens

Op 25 juni 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 juni 2019
Datum publicatie
25 juni 2019
Zaaknummer
17/04723
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1030
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Belaging van zijn voormalige vriendin, art. art. 285b.1 Sr. Bewijsklacht wederrechtelijkheid. HR: art. 81.1 RO. Vervolg op ECLI:NL:HR:2016:2005.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:GHARL:2017:8919
  2. Conclusie A-G · 14 mei 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:466
  3. Hoge Raad · 25 juni 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:1030

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/04723

Datum 25 juni 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 25 september 2017, nummer 21/005450-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2019.