Strafrecht overig

Poging tot doodslag door éénjarig kind met kracht heen en weer te schudden. Voorwaardelijk opzet op de dood…

Hoge Raad, 9 juli 2019

Zaakgegevens

Op 9 juli 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juli 2019
Datum publicatie
1 juli 2019
Zaaknummer
17/03796
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1070
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag door éénjarig kind met kracht heen en weer te schudden. Voorwaardelijk opzet op de dood. HR: art. 81.1 RO. CAG: art. 80a RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 24 juni 2014

    ECLI:NL:RBZWB:2014:4249
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 11 juli 2017

    ECLI:NL:GHSHE:2017:3109

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 11 juni 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:756
  4. Hoge Raad · 9 juli 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:1070

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/03796

Datum 9 juli 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 2017, nummer 20/001974-14, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2019.