Strafrecht overig

Medeplegen diefstal d.m.v. braak van elektronische goederen op milieupark van gemeente, art. 311.1 Sr. Heeft…

Hoge Raad, 9 juli 2019

Zaakgegevens

Op 9 juli 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juli 2019
Datum publicatie
9 juli 2019
Zaaknummer
18/02087
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1161
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen diefstal d.m.v. braak van elektronische goederen op milieupark van gemeente, art. 311.1 Sr. Heeft verdachte gehandeld met oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, aangezien weggenomen goederen ‘res nullius’ dan wel ‘res derelicta’ zijn? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2018

    ECLI:NL:GHSHE:2018:1460
  2. Conclusie A-G · 28 mei 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:547
  3. Hoge Raad · 9 juli 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:1161

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02087

Datum 9 juli 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van

30 maart 2018, nummer 20/001483-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2019.