Strafrecht overig

Seksueel binnendringen van iemand beneden de twaalf jaar die aan zijn zorg is toevertrouwd, art. 244 jo…

Hoge Raad, 17 september 2019

Zaakgegevens

Op 17 september 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17 september 2019
Datum publicatie
26 juli 2019
Zaaknummer
18/03475
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1286
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Seksueel binnendringen van iemand beneden de twaalf jaar die aan zijn zorg is toevertrouwd, art.  244 jo. 248.2 Sr. 1. Klacht dat het Hof niet heeft gerespondeerd op uos m.b.t. betrouwbaarheid van de verklaringen van slachtoffers A en B. 2. Klacht over afwijzing getuigenverzoek. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 juni 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:618
  2. Hoge Raad · 17 september 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:1286

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/03475

Datum 17 september 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 juli 2018, nummer 22/002291-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2019.