Strafrecht overig

Verkeersongeval met dodelijke afloop. Schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994. Lat te hoog gelegd door extra…

Zaakgegevens

Op 3 september 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 september 2019
Datum publicatie
26 augustus 2019
Zaaknummer
18/02810
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1287
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verkeersongeval met dodelijke afloop. Schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994. Lat te hoog gelegd door extra voorzichtigheid te verlangen i.v.m. plaats van het ongeval op smalle onverlichte weg? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 14 juni 2018

    ECLI:NL:GHARL:2018:5555
  2. Conclusie A-G · 4 juni 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:582
  3. Hoge Raad · 3 september 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:1287

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02810

Datum 3 september 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 14 juni 2018, nummer 21/004594-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2019.