Strafrecht overig
Drie woninginbraken in Houten waarvan buit en gebruikte inbrekerswerktuigen in woning en auto van verdachte…
ECLI:NL:HR:2019:130 · Hoge Raad · 19 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2019-130
Zaakgegevens
Op 19 februari 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 februari 2019
- Datum publicatie
- 29 januari 2019
- Zaaknummer
- 16/06093
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:130
Samenvatting
Drie woninginbraken in Houten waarvan buit en gebruikte inbrekerswerktuigen in woning en auto van verdachte zijn aangetroffen, art. 311.5 Sr. Bewijsklacht daderschap verdachte. HR: art. 81.1 RO. CAG: Het gaat om drie inbraken in een periode van iets meer dan drie weken. Bij verdachte aangetroffen voorwerpen bestaan voor elk feit niet alleen uit een deel van de buit maar ook uit bij de braak gebruikte instrumenten, zodat er per feit een combinatie van buit en instrument is. De aanwezigheid van de gebruikte instrumenten dringt heling naar de achtergrond. Bewijsmotivering is niet ontoereikend of onbegrijpelijk, nu buit en sporen van drie inbraken alle in de richting van verdachte wijzen en Hof kennelijk in aanmerking heeft genomen dat verdachte niet veel verder komt dan een schamele ontkenning.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 januari 2019
ECLI:NL:PHR:2019:165Hoge Raad · 19 februari 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:130
Uitspraak
Inhoudsopgave
19 februari 2019
Strafkamer
nr. S 16/06093
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2016, nummer 21/004069-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze veertien maanden en een week, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019.