Strafrecht overig

Bedreiging (art. 285.1 Sr) en verleiding door als 31/32-jarige assistent filiaalmanager van supermarkt…

Hoge Raad, 1 oktober 2019

Zaakgegevens

Op 1 oktober 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 oktober 2019
Datum publicatie
30 september 2019
Zaaknummer
17/05695
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1467
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bedreiging (art. 285.1 Sr) en verleiding door als 31/32-jarige assistent filiaalmanager van supermarkt gedurende aantal maanden ontucht te plegen met destijds 16/17-jarige caissière (art. 248a Sr). 1. Bewijsklacht bedreiging. Konden uitlatingen en gedragingen van verdachte bij aangeefster in redelijkheid vrees doen ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen? 2. Bewijsklacht verleiding. Kan uit gebezigde bewijsvoering volgen dat verdachte “door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht” aangeefster “opzettelijk heeft bewogen” tot dulden/plegen van ontuchtige handelingen? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 21 november 2017

    ECLI:NL:GHAMS:2017:4790
  2. Conclusie A-G · 9 juli 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:996
  3. Hoge Raad · 1 oktober 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:1467

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/05695

Datum 1 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 21 november 2017, nummer 23/001032-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.G.J. Cornelissen, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019.