Strafrecht overig

Oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr), door bij cruisemaatschappij cruises te boeken onder valse…

Zaakgegevens

Op 1 oktober 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 oktober 2019
Datum publicatie
30 september 2019
Zaaknummer
17/04446
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1469
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr), door bij cruisemaatschappij cruises te boeken onder valse naam en m.b.v. valse of gestolen creditcards. Bewijsklachten m.b.t. betrokkenheid verdachte en m.b.t. oordeel Hof dat verdachte “valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich onder een valse naam heeft voorgedaan als een tot betalen bereid zijnde klant”. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 7 september 2017

    ECLI:NL:GHDHA:2017:2553
  2. Conclusie A-G · 9 juli 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:981
  3. Hoge Raad · 1 oktober 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:1469

    Meerdere afhandelingswijzen

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/04446

Datum 1 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 september 2017, nummer 22/004013-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] (geboren als [verdachte]),

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 600 dagen, waarvan 208 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 570 dagen, waarvan 208 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019.