Strafrecht overig
Skimmen, art. 139c en 139d Sr. Grootschalige vorm van skimmen en betaalpasfraude door bankpasgegevens van…
Hoge Raad, 17 december 2019
ECLI:NL:HR:2019:1963 · Hoge Raad · 17 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2019-1963
Zaakgegevens
Op 17 december 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 december 2019
- Datum publicatie
- 12 december 2019
- Zaaknummer
- 18/00511
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:1963
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Skimmen, art. 139c en 139d Sr. Grootschalige vorm van skimmen en betaalpasfraude door bankpasgegevens van klanten af te tappen door gemanipuleerde e.dentifiers in bankshops van een bank te plaatsen waarmee vervolgens valse betaalpassen zijn vervaardigd en waarna met die valse betaalpassen in totaal meer dan € 1 miljoen contant is opgenomen. Ontvankelijkheid vordering b.p. Heeft Hof ten onrechte het verzuim, dat vordering niet op de voorgeschreven wijze namens de bank is ondertekend door twee bevoegde personen, hersteld geacht door brief van de bank die per e-mail tijdens de zitting van het Hof na requisitoir van AG aan Hof is overgelegd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/00341 en 18/04012.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 16 januari 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:32Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 oktober 2019
ECLI:NL:PHR:2019:813Hoge Raad · 17 december 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:1963
Meerdere afhandelingswijzen
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/00511
Datum 17 december 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 16 januari 2018, nummer 22/005810-11, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beoordeling van het tweede middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en elf maanden, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2019.