Strafrecht overig
Zware mishandeling van ex-vrouw door tegen haar romp te schoppen met de dood ten gevolge (art. 302.2 Sr) en…
Hoge Raad, 19 februari 2019
ECLI:NL:HR:2019:256 · Hoge Raad · 19 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2019-256
Zaakgegevens
Op 19 februari 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 februari 2019
- Datum publicatie
- 19 februari 2019
- Zaaknummer
- 18/02336
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:256
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Zware mishandeling van ex-vrouw door tegen haar romp te schoppen met de dood ten gevolge (art. 302.2 Sr) en voortgezette handeling van wegvoeren en begraven van haar lijk op 200 meter van de woning van verdachte in Utrecht met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen (art. 151 Sr). Klachten m.b.t. afwijzing van verzoeken tot het doen van nader onderzoek en het horen van deskundigen en getuigen en over gebruik tot het bewijs van verklaring van vierjarig dochtertje in het licht van art. 6 EVRM. HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 27 oktober 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:9297Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 15 januari 2019
ECLI:NL:PHR:2019:34Hoge Raad · 19 februari 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:256
Meerdere afhandelingswijzen
Uitspraak
19 februari 2019
Strafkamer
nr. S 18/02336
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 27 oktober 2017, nummer 21/004692-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal J. Silvis heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad aan de overschrijding van de redelijke termijn het gevolg zal verbinden dat hem goeddunkt en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beoordeling van het derde middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en elf maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019.