Strafrecht overig

Poging tot woninginbraak, art. 310 jo. 311 jo. 45 Sr. Klachten over het bewijs voor medeplegen en de…

Zaakgegevens

Op 5 maart 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 maart 2019
Datum publicatie
22 februari 2019
Zaaknummer
17/02376
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:293
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Poging tot woninginbraak, art. 310 jo. 311 jo. 45 Sr. Klachten over het bewijs voor medeplegen en de strafoplegging. HR: art. 81.1 RO. Samenhang tussen 17/02376 en 17/02387.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:GHARL:2017:4075
  2. Conclusie A-G · 15 januari 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:17
  3. Hoge Raad · 5 maart 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:293

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Inhoudsopgave

5 maart 2019

Strafkamer

nr. S 17/02376

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 9 mei 2017, nummer 21/005258-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1994.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2019.