Strafrecht overig

Meerdere overtredingen van de Opiumwet. Klacht over de motivering van de bewezenverklaring van een van de…

Hoge Raad, 12 maart 2019

Zaakgegevens

Op 12 maart 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 maart 2019
Datum publicatie
7 maart 2019
Zaaknummer
17/02999
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:333
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Meerdere overtredingen van de Opiumwet. Klacht over de motivering van de bewezenverklaring van een van de feiten (medeplegen van het handelen in heroïne en cocaïne) en over de afwijzing van voorwaardelijke getuigenverzoeken. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:GHARL:2017:4710
  2. Conclusie A-G · 22 januari 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:59
  3. Hoge Raad · 12 maart 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:333

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

12 maart 2019

Strafkamer

nr. S 17/02999

ABO

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 1 juni 2017, nummer 21/004275-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.E.J. Torny, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2019.