Strafrecht overig

Poging moord (art. 289 Sr), bedreiging met zware mishandeling (art. 285 Sr) en poging doodslag (art. 287 Sr)…

Hoge Raad, 9 april 2019

Zaakgegevens

Op 9 april 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 april 2019
Datum publicatie
9 april 2019
Zaaknummer
17/05914
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:561
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging moord (art. 289 Sr), bedreiging met zware mishandeling (art. 285 Sr) en poging doodslag (art. 287 Sr). Voorbedachte raad poging moord. 1. Vooropgezet plan tot plegen geweld? 2. Is Hof voorbijgegaan aan “uitdrukkelijk onderbouwd standpunt” m.b.t. een aangevoerde contra-indicatie? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:GHSHE:2017:5237
  2. Conclusie A-G · 19 maart 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:254
  3. Hoge Raad · 9 april 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:561

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

9 april 2019

Strafkamer

nr. S 17/05914

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 november 2017, nummer 20/000547-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en vijf maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2019.