Strafrecht overig
Grootschalige hypotheekfraude, megazaak Peseta. Als leider deelnemen aan criminele organisatie (art. 140.3…
Hoge Raad, 16 april 2019
ECLI:NL:HR:2019:630 · Hoge Raad · 16 april 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2019-630
Zaakgegevens
Op 16 april 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 april 2019
- Datum publicatie
- 17 april 2019
- Zaaknummer
- 17/02831
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:630
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Grootschalige hypotheekfraude, megazaak Peseta. Als leider deelnemen aan criminele organisatie (art. 140.3 Sr), medeplegen witwassen (art. 420bis.1.b Sr) en medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr) door als mededirecteur van vennootschap samen met anderen klanten met financiële problemen te adviseren tweede huis te kopen en extra geldleningen en bouwdepots aan te vragen, waarbij gebruik is gemaakt van valse werkgeversverklaringen, valse salarisstroken en valse facturen. 1. Onvoldoende voorbereidingstijd in cassatie? 2. Afwijzing getuigenverzoeken. 3. Ondervragingsrecht. 4. Bewijsklachten. 5. Strafmotivering. Blijkt aangehaalde omstandigheid dat banken financieel nadeel hebben uit stukken? 6. Kon Hof bijkomende straf van ontzetting van recht op uitoefening van beroep opleggen? HR: art. 81 RO. Samenhang met 17/01580, 17/01394, 17/01622, 17/01668, 17/02690 en 17/02829.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 13 maart 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:1983Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 februari 2019
ECLI:NL:PHR:2019:421Hoge Raad · 16 april 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:630
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
16 april 2019
Strafkamer
nr. S 17/02831
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 13 maart 2017, nummer 21/001222-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K. Canatan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2019.