Strafrecht overig

Faillissementsfraude. Opdracht geven en/of feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk gepleegd door…

Hoge Raad, 21 mei 2019

Zaakgegevens

Op 21 mei 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 mei 2019
Datum publicatie
20 mei 2019
Zaaknummer
16/05768
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:776
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Faillissementsfraude. Opdracht geven en/of feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Klachten over: 1. afwijzing van een verzoek tot nader onderzoek psychische gesteldheid van verdachte, 2. het bewezenverklaarde handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ en 3. niet in acht nemen van het sinds 1 juli 2016 verlaagde strafmaximum gesteld op het strafbare feit. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 21 november 2016

    ECLI:NL:GHSHE:2016:5155
  2. Conclusie A-G · 9 april 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:529
  3. Hoge Raad · 21 mei 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:776

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

21 mei 2019

Strafkamer

nr. S 16/05768

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 november 2016, nummer 20/004731-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het zesde middel

2.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

2.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaren.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2019.