Strafrecht overig

Doodslag in Amsterdam door vuurwapengeweld, art. 287 Sr, waarbij mogelijk sprake is van een vergissing in het…

Hoge Raad, 11 juni 2019

Zaakgegevens

Op 11 juni 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 juni 2019
Datum publicatie
7 juni 2019
Zaaknummer
18/02200
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:891
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Doodslag in Amsterdam door vuurwapengeweld, art. 287 Sr, waarbij mogelijk sprake is van een vergissing in het doelwit. Middelen over verwerping verweer ex art. 359a Sv m.b.t. het onderzoek aan een smartphone en over bewijsvoering. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 6 april 2018

    ECLI:NL:GHAMS:2018:1218
  2. Conclusie A-G · 16 april 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:387
  3. Hoge Raad · 11 juni 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:891

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02200

Datum 11 juni 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 6 april 2018, nummer 23/005259-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2019.