Strafrecht overig
Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9.2 (eerste volzin) WVW 1994) en…
Hoge Raad, 7 juli 2020
ECLI:NL:HR:2020:1152 · Hoge Raad · 7 juli 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2020-1152
Zaakgegevens
Op 7 juli 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 juli 2020
- Datum publicatie
- 26 juni 2020
- Zaaknummer
- 19/03969
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:1152
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9.2 (eerste volzin) WVW 1994) en rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs zijn geldigheid had verloren en hij bij aanvraag van nieuw rijbewijs moet voldoen aan uit recidiveregeling voortvloeiende voorwaarden (art. 9.2 (tweede volzin) WVW 1994). 1. Bewijsklacht feit 2. Levert besturen van motorrijtuig van categorie B terwijl eerder rijbewijs dat is afgegeven ten behoeve van categorie AM ongeldig is verklaard, overtreding van art. 9.2 WVW 1994 op? 2. Eendaadse samenloop, voortgezette handeling of meerdaadse samenloop, art. 55.1, 56 en 57 Sr? Belang bij cassatie? HR: art. 81.1 RO. CAG t.a.v. samenloop: ’s Hofs oordeel dat sprake is van meerdaadse samenloop is niet z.m. begrijpelijk, nu bewezenverklaarde gedragingen zodanig samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat verdachte daarvan één verwijt wordt gemaakt. Verdachte heeft onvoldoende belang bij cassatie.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 juni 2020
ECLI:NL:PHR:2020:678Hoge Raad · 7 juli 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:1152
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/03969
Datum 7 juli 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 augustus 2019, nummer 23/004355-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2020.