Strafrecht overig

Caribische zaak. Medeplegen voorhanden hebben van grote hoeveelheid vuurwapens, munitie en drugs in auto in…

Hoge Raad, 28 januari 2020

Zaakgegevens

Op 28 januari 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28 januari 2020
Datum publicatie
27 januari 2020
Zaaknummer
17/05480
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:131
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Caribische zaak. Medeplegen voorhanden hebben van grote hoeveelheid vuurwapens, munitie en drugs in auto in Curaçao. 1. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM resp. bewijsuitsluiting aangezien optreden van politie geen grondslag zou vinden in art. 13d Vuurwapenverordening 1930. Vormverzuim a.b.i. art. 413 SvC? 2. Klacht m.b.t. opzet t.a.v. het voorhanden hebben van de zich in de achterbak van de auto bevindende wapens en munitie. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 3 december 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:1247
  2. Hoge Raad · 28 januari 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:131

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/05480 A

Datum 28 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 9 november 2017, nummer H 125/17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en zes maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2020.