Strafrecht overig
Art. 8.2 aanhef en onder a WVW 1994. Moet de in art. 10.1 Besluit Alcohol drugs en geneesmiddelen in het…
Hoge Raad, 3 november 2020
ECLI:NL:HR:2020:1646 · Hoge Raad · 3 november 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2020-1646
Zaakgegevens
Op 3 november 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 november 2020
- Datum publicatie
- 15 oktober 2020
- Zaaknummer
- 18/05383
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:1646
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 8.2 aanhef en onder a WVW 1994. Moet de in art. 10.1 Besluit Alcohol drugs en geneesmiddelen in het verkeer opgenomen eis dat het bij het onderzoek gebruikte type ademanalyseapparaat is aangewezen bij ministeriële regeling (art. 5 van de Regeling Alcohol drugs en geneesmiddelen in het verkeer) als strikte waarborg worden aangemerkt? CAG: Mits blijkt dat voor het gebruikte apparaat door het NMi een individuele verklaring van goedkeuring is afgegeven, behoeft de eis van een ministeriële aanwijzing bedoeld in art. 10.1 van het Besluit niet te worden aangemerkt als strikte waarborg. Uit een gegeven NMi-goedkeuring blijkt namelijk zowel dat het gebruikte apparaat aan de kwaliteitseisen voldoet als dat sprake is van een type-goedkeuring. HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 juni 2020
ECLI:NL:PHR:2020:632Hoge Raad · 3 november 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:1646
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/05383
Datum 3 november 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 december 2018, nummer 22/001266-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2020.