Strafrecht overig

Economische zaak. Onder zich hebben van beschermde inheemse vogels die niet zijn voorzien van juiste pootring…

Hoge Raad, 28 januari 2020

Zaakgegevens

Op 28 januari 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28 januari 2020
Datum publicatie
4 februari 2020
Zaaknummer
18/02645
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:196
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Economische zaak. Onder zich hebben van beschermde inheemse vogels die niet zijn voorzien van juiste pootring (meermalen gepleegd), art. 13.1 Flora- en faunawet. 1. OM n-o in vervolging, nu pootringen zijn verwijderd zodat het niet meer mogelijk is om tegenonderzoek te laten uitvoeren? 2. Verweer strekkend tot bewijsuitsluiting op de grond dat verbalisanten zich niet (tijdig) hebben gelegitimeerd. 3. Verweer dat niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat vogels niet zijn voorzien van juiste pootring. 4. Heeft mogelijke verkrijging van vogels in België gevolgen voor strafbaarheid van het onder zich hebben van die vogels in Nederland? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 3 december 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:1436
  2. Hoge Raad · 28 januari 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:196

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02645 E

Datum 28 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, economische kamer, van 30 mei 2018, nummer 20/001969-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1937,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Wouters, advocaat te Middelburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2020.