Strafrecht overig

Medeplichtigheid aan poging tot doodslag te Hilversum in september 2015, door langs café te rijden en voor…

Hoge Raad, 11 februari 2020

Zaakgegevens

Op 11 februari 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 februari 2020
Datum publicatie
7 februari 2020
Zaaknummer
18/05156
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:217
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplichtigheid aan poging tot doodslag te Hilversum in september 2015, door langs café te rijden en voor het café te stoppen, zodat dader met pistoolmitrailleur vuur kon openen, art. 287 jo. 45.1 en 48 Sr. 1. Bewijsklachten. 2. Verwerping van het beroep op (psychische) overmacht, art. 40 Sr. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/05230 en 18/05536 (niet gepubliceerd, art. 81.1 RO).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05156

Datum 11 februari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 november 2018, nummer 21/003624-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren

Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.