Strafrecht overig

Vernieling van groot aantal goederen in justitiële jeugdinrichting, art. 350.1 Sr. Aanhoudingsverzoek…

Hoge Raad, 24 maart 2020

Zaakgegevens

Op 24 maart 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 maart 2020
Datum publicatie
20 maart 2020
Zaaknummer
19/02945
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:491
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vernieling van groot aantal goederen in justitiële jeugdinrichting, art. 350.1 Sr. Aanhoudingsverzoek raadsman voorafgaand aan tz. per fax gedaan op de grond dat verdachte onbekende verblijfplaats heeft, raadsman al enige tijd geen contact heeft gehad met verdachte en raadsman zelf is verhinderd om ttz. te verschijnen, door hof afgewezen o.g.v. overweging dat enkele mededeling van raadsman dat hij is verhinderd, hoewel hij eerder akkoord is gegaan met zittingsdatum, onvoldoende is om behandeling van zaak aan te houden. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 4 februari 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:67
  2. Hoge Raad · 24 maart 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:491

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02945

Datum 24 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van
17 februari 2015, nummer 22/000486-14, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, bij schriftuur een cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De procureur-generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vier weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier
E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020.