Strafrecht overig

Opzettelijk voorhanden hebben en gebruik maken van valse geschriften (arbeidsovereenkomsten), meermalen…

Hoge Raad, 12 mei 2020

Zaakgegevens

Op 12 mei 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 mei 2020
Datum publicatie
11 mei 2020
Zaaknummer
19/00848
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:844
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzettelijk voorhanden hebben en gebruik maken van valse geschriften (arbeidsovereenkomsten), meermalen gepleegd (art. 225 Sr). Middelen over 1. grondslagverlating, 2. verwerping uos t.a.v. de valsheid 3. verwerping uos t.a.v. opzet en 4. niet vermelden in welke mate de door het hof geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn heeft geleid tot vermindering van de gevangenisstraf. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/00847 P (niet gepubliceerd).

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 12 oktober 2018

    ECLI:NL:GHAMS:2018:3977
  2. Conclusie A-G · 17 maart 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:254
  3. Hoge Raad · 12 mei 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:844

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00848

Datum 12 mei 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 oktober 2018, nummer 23/004285-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2020.