Strafrecht overig

Medeplichtigheid aan hennepteelt (art. 3.B Opiumwet). Opzettelijk gelegenheid verschaffen door pand ter…

Zaakgegevens

Op 21 september 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 september 2021
Datum publicatie
13 september 2021
Zaaknummer
19/05690
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1255
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplichtigheid aan hennepteelt (art. 3.B Opiumwet). Opzettelijk gelegenheid verschaffen door pand ter beschikking te stellen? Middel klaagt over bewezenverklaarde opzet. HR: art. 81.1 RO. Vervolg op ECLI:NL:HR:2019:964.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 22 juni 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:830
  2. Hoge Raad · 21 september 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1255

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05690

Datum 21 september 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 december 2019, nummer 22/003336-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.-F. Grégoire, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2021.