Strafrecht overig

Medeplegen diefstal van horloge, art. 311.4 Sr. Bewijsklacht medeplegen. Kan verdachte, die niet bij de…

Hoge Raad, 19 oktober 2021

Zaakgegevens

Op 19 oktober 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19 oktober 2021
Datum publicatie
19 oktober 2021
Zaaknummer
19/03816
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1567
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen diefstal van horloge, art. 311.4 Sr. Bewijsklacht medeplegen. Kan verdachte, die niet bij de uitvoering van strafbare feit was betrokken, worden aangemerkt als medepleger? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2019

    ECLI:NL:GHARL:2019:6467
  2. Conclusie A-G · 7 september 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:977
  3. Hoge Raad · 19 oktober 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1567

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03816

Datum 19 oktober 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 augustus 2019, nummer 21-002351-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Kuipers, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2021.