Strafrecht overig

Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben hennep, art. 3.C Opiumwet. Middel klaagt over afwijking uos m.b.t…

Hoge Raad, 2 november 2021

Zaakgegevens

Op 2 november 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 november 2021
Datum publicatie
21 oktober 2021
Zaaknummer
20/02248
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1571
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben hennep, art. 3.C Opiumwet. Middel klaagt over afwijking uos m.b.t. wetenschap aanwezigheid hennep in pand waar hij zich bevond en ‘beschikkingsmacht’ over die hennep. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 20/02074.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 10 juli 2020

    ECLI:NL:GHAMS:2020:1945
  2. Conclusie A-G · 14 september 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:1015
  3. Hoge Raad · 2 november 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1571

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/02248

Datum 2 november 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 juli 2020, nummer 23-001433-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Kuipers, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 november 2021.