Strafrecht overig

Medeplegen poging tot afpersing gedurende voor nachtrust bestemde tijd op openbare weg door ’s nachts op…

Hoge Raad, 2 november 2021

Zaakgegevens

Op 2 november 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 november 2021
Datum publicatie
2 november 2021
Zaaknummer
19/00413
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1629
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen poging tot afpersing gedurende voor nachtrust bestemde tijd op openbare weg door ’s nachts op straat een voorbijganger met geweld te sommeren geld af te staan en te pinnen, art. 317.3 jo. 312.2.1 en 312.2.2 Sr. Bewijsklachten. Verweer t.a.v. medeplegen, uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. camerabeelden en denaturering verklaring van verdachte.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/00531.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2019

    ECLI:NL:GHSHE:2019:4786
  2. Conclusie A-G · 14 september 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:825
  3. Hoge Raad · 2 november 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1629

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00413

Datum 2 november 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 januari 2019, nummer 20/000089-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J.M. Oerlemans, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze veertien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 november 2021.