Strafrecht overig

Verduistering van een in casino gevonden portemonnee, art. 321 Sr. Bewijsklacht. Verweer dat verdachte geen…

Hoge Raad, 6 april 2021

Zaakgegevens

Op 6 april 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 april 2021
Datum publicatie
29 maart 2021
Zaaknummer
19/01756
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:492
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verduistering van een in casino gevonden portemonnee, art. 321 Sr. Bewijsklacht. Verweer dat verdachte geen opzet op wederrechtelijke toe-eigening van portemonnee had. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/01757.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2019

    ECLI:NL:GHSHE:2019:1751
  2. Conclusie A-G · 2 maart 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:171
  3. Hoge Raad · 6 april 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:492

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01756

Datum 6 april 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 april 2019, nummer 20/000380-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2021.