Strafrecht overig

Poging tot doodslag in het verkeer (art. 287 Sr), diefstal (art. 310 Sr) en overtreding art. 5 WVW 1994. Met…

Hoge Raad, 11 mei 2021

Zaakgegevens

Op 11 mei 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 mei 2021
Datum publicatie
11 mei 2021
Zaaknummer
20/00998
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:730
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag in het verkeer (art. 287 Sr), diefstal (art. 310 Sr) en overtreding art. 5 WVW 1994. Met gestolen taxibus veroorzaken van bijna frontale botsing met motoragent en flankaanrijding met achtervolgende politieauto. Middelen o.m. over voorwaardelijk opzet op de dood, m.n. het welbewust aanvaarden van het gevolg en de aanmerkelijke kans op overlijden. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 13 maart 2020

    ECLI:NL:GHAMS:2020:894
  2. Conclusie A-G · 16 maart 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:240
  3. Hoge Raad · 11 mei 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:730

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00998

Datum 11 mei 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 maart 2020, nummer 23-002755-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2021.