Strafrecht overig

Witwassen geldbedrag van € 123.510, art. 420bis.1.b Sr. Voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand…

Hoge Raad, 5 juli 2022

Zaakgegevens

Op 5 juli 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 juli 2022
Datum publicatie
4 juli 2022
Zaaknummer
20/03789
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:1003
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Witwassen geldbedrag van € 123.510, art. 420bis.1.b Sr. Voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor legale herkomst van geldbedragen?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 7 juni 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:677
  2. Hoge Raad · 5 juli 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:1003

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/03789

Datum 5 juli 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 november 2020, nummer 23-003882-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2022.