Strafrecht overig
Bedreiging (art. 285.1 Sr) en dragen van opvouwbaar mes (art. 27.1 WWM). 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep…
Hoge Raad, 13 september 2022
ECLI:NL:HR:2022:1204 · Hoge Raad · 13 september 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2022-1204
Zaakgegevens
Op 13 september 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 september 2022
- Datum publicatie
- 13 september 2022
- Zaaknummer
- 20/03083
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2022:1204
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bedreiging (art. 285.1 Sr) en dragen van opvouwbaar mes (art. 27.1 WWM). 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep v.zv. gericht tegen overtreding, art. 427.2.a Sv. 2. Verweer dat sprake is van onherstelbaar vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv dat dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid OM dan wel strafvermindering.
Ad 1. ’s Hofs uitspraak heeft wat betreft feit 2 betrekking op overtreding (art. 27.1 jo. 54 WWM). Hof heeft voor dat feit toepassing gegeven aan art. 9a Sr. Ex art. 427.2 Sv staat tegen ’s hofs uitspraak t.a.v. feit 2 geen cassatieberoep open. Verdachte in zoverre n-o.
Ad 2. HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 juni 2022
ECLI:NL:PHR:2022:521Hoge Raad · 13 september 2022deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2022:1204
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03083
Datum 13 september 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 september 2020, nummer 22-001731-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen, en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wat betreft de beslissingen met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De uitspraak van het hof heeft wat betreft feit 2 betrekking op een overtreding (artikel 27 lid 1 in verbinding met artikel 54 Wet wapens en munitie). Het hof heeft voor dat feit toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Op grond van artikel 427 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen de uitspraak van het hof ten aanzien van feit 2 geen cassatieberoep open. Om die reden kan de Hoge Raad wat betreft feit 2 het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen.
3 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk wat betreft de beslissingen met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2022.