Strafrecht overig

Jeugdzaak. Reeks gekwalificeerde diefstallen, art. 311.1 Sr en opzetheling, art 416.1.a Sr. Overschrijding…

Hoge Raad, 20 september 2022

Zaakgegevens

Op 20 september 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20 september 2022
Datum publicatie
18 september 2022
Zaaknummer
21/00943
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:1253
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdzaak. Reeks gekwalificeerde diefstallen, art. 311.1 Sr en opzetheling, art 416.1.a Sr. Overschrijding redelijke termijn in feitelijke aanleg. Heeft hof met voldoende mate van nauwkeurigheid de mate van strafvermindering aangeduid i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 21 juni 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:571
  2. Hoge Raad · 20 september 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:1253

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/00943

Datum 20 september 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 februari 2021, nummer 22-001465-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde jeugddetentie voor de duur van zes dagen en de taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen jeugddetentie zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2022.