Strafrecht overig

Medeplichtigheid hennepteelt en aanwezigheid hennep (in uitoefening van bedrijf) door het huren en ter…

Hoge Raad, 15 februari 2022

Zaakgegevens

Op 15 februari 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 februari 2022
Datum publicatie
14 februari 2022
Zaaknummer
20/01131
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:189
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplichtigheid hennepteelt en aanwezigheid hennep (in uitoefening van bedrijf) door het huren en ter beschikking stellen van een garagebox voor de opslag van hennepgerelateerde goederen, art. 3.B, 3.C en 11.3 Opiumwet. Kan uit de bewijsvoering worden afgeleid dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 20/01134 en 20/01136 P.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 21 december 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:1205
  2. Hoge Raad · 15 februari 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:189

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/01131

Datum 15 februari 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 maart 2020, nummer 21-006300-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2022.