Strafrecht overig

Medeplegen diefstal met geweld, art. 312.2.2 Sr. Heeft verdachte opzet gehad op het door medeverdachte…

Zaakgegevens

Op 18 januari 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 januari 2022
Datum publicatie
17 december 2021
Zaaknummer
20/02842
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:2
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen diefstal met geweld, art. 312.2.2 Sr. Heeft verdachte opzet gehad op het door medeverdachte gepleegde geweld? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 23 november 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:1258
  2. Hoge Raad · 18 januari 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:2

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/02842

Datum 18 januari 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 september 2020, nummer 21-003514-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2022.