Strafrecht overig

Deelneming aan terroristische organisaties IS en Jabhat al-Nusra tussen 2013 en 2015 (art. 140a Sr)…

Hoge Raad, 29 maart 2022

Zaakgegevens

Op 29 maart 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29 maart 2022
Datum publicatie
28 maart 2022
Zaaknummer
21/00006
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:468
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Deelneming aan terroristische organisaties IS en Jabhat al-Nusra tussen 2013 en 2015 (art. 140a Sr), medeplegen mensensmokkel (art. 197a Sr), aanwezig hebben hennep (art. 3.C Opiumwet) en diefstal door middel van verbreking (art. 311.1.5). 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. gebruik foto’s en WhatsApp-berichten voor bewijs. 2. Bewijs van opzet op terroristisch oogmerk van organisaties. 3. Strafmotivering. Strafmaatoverweging dat verdachte “in ieder geval 14 mensen om het leven heeft gebracht”. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 18 december 2020

    ECLI:NL:GHDHA:2020:2492
  2. Conclusie A-G · 8 februari 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:113
  3. Hoge Raad · 29 maart 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:468

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/00006

Datum 29 maart 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 december 2020, nummer 22-004954-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben T.M.D. Buruma en F.T.C. Dölle, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het eerste cassatiemiddel is later ingetrokken.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2022.