Strafrecht overig
Beschikking, vordering tot tenuitvoerlegging a.b.i. art. 6:6:21.1 Sv. Hof (penitentiaire kamer) heeft…
Hoge Raad, 5 april 2022
ECLI:NL:HR:2022:496 · Hoge Raad · 5 april 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2022-496
Zaakgegevens
Op 5 april 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 april 2022
- Datum publicatie
- 1 april 2022
- Zaaknummer
- 20/02921
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2022:496
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beschikking, vordering tot tenuitvoerlegging a.b.i. art. 6:6:21.1 Sv. Hof (penitentiaire kamer) heeft veroordeelde n-o verklaard in hoger beroep tegen beschikking Rb, strekkende tot tul van voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel vanwege niet-naleving van een bij voorwaardelijke veroordeling gestelde bijzondere voorwaarde, op de grond dat hiertegen geen h.b. openstaat. Ontvankelijkheid cassatieberoep (art. 6:6:7 Sv) en gevolgen Wet USB. Staat cassatieberoep open tegen op zichzelf staande beslissing van penitentiaire kamer van hof m.b.t. vordering tul? HR: Op redenen vermeld in CPG kan HR cassatieberoep van veroordeelde niet in behandeling nemen. CPG: Beslissing Rb tot tul van voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel is aan te merken als beslissing a.b.i. art. 6:6:21.1 Sv, terwijl hof veroordeelde n-o heeft verklaard in ingesteld beroep tegen beslissing Rb. Ingevolge art. 6:6:7 Sv zijn rechterlijke beslissingen inzake tul niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen, v.zv. in hoofdstuk 6 van boek 6 Sv niet anders is bepaald. Een bepaling waarin cassatieberoep tegen beslissing van penitentiaire kamer van hof wordt opengesteld, ontbreekt.
Veroordeelde n-o. CPG gaat in op wettelijke regeling van beroep tegen beslissing tot tul van voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel en wijzigingen die Wet USB in dit verband heeft meegebracht.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 januari 2022
ECLI:NL:PHR:2022:22Hoge Raad · 5 april 2022deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2022:496
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02921 B
Datum 5 april 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 september 2020, nummer ISD P20/0159, op een vordering als bedoeld in artikel 6:6:21 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak
van
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de veroordeelde.
1 De beschikking van het hof
Het hof heeft de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag. Die beschikking strekt tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing van de veroordeelde in een inrichting voor stelselmatige daders vanwege niet-naleving van een bij de voorwaardelijke veroordeling gestelde bijzondere voorwaarde.
2 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft M.J. de Jongh, advocaat te Leiden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het beroep.
3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de veroordeelde niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de procureur-generaal onder 4 en 12 tot en met 15.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2022.