Strafrecht overig

Mishandeling door zijn zus in haar woning in haar gezicht te slaan, art. 300.1 Sr. Beroep op noodweer en…

Hoge Raad, 24 mei 2022

Zaakgegevens

Op 24 mei 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 mei 2022
Datum publicatie
20 mei 2022
Zaaknummer
21/00109
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:755
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mishandeling door zijn zus in haar woning in haar gezicht te slaan, art. 300.1 Sr. Beroep op noodweer en bewijsklacht. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 29 maart 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:280
  2. Hoge Raad · 24 mei 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:755

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/00109

Datum 24 mei 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 december 2020, nummer 22-005299-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 'sGravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2022.