Strafrecht overig

Opzetheling van boormachine en fiets, art. 416.1.a Sr. Bewijsklachten. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid…

Hoge Raad, 21 juni 2022

Zaakgegevens

Op 21 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 juni 2022
Datum publicatie
31 mei 2022
Zaaknummer
21/00555
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:810
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzetheling van boormachine en fiets, art. 416.1.a Sr. Bewijsklachten. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte t.t.v. voorhanden krijgen goederen wist dat deze door misdrijf waren verkregen? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 10 mei 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:582
  2. Hoge Raad · 21 juni 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:810

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/00555

Datum 21 juni 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 februari 2021, nummer 23-000026-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N.F.M. van Osta, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2022.