Strafrecht overig

Oplichting (art. 326 Sr) en hennepteelt (art. 3.B OW). Hof heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur…

Zaakgegevens

Op 21 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 juni 2022
Datum publicatie
20 juni 2022
Zaaknummer
20/02023
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:904
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Oplichting (art. 326 Sr) en hennepteelt (art. 3.B OW). Hof heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 15 maanden onvoorwaardelijk. Middel klaagt dat het hof niet i.h.b. de redenen heeft opgegeven die ertoe hebben geleid dat de strafoplegging afwijkt van door de verdediging ingenomen uos. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 20/02024, 20/02083 en 20/02084.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Nederland · 30 november 2016

    ECLI:NL:RBNNE:2016:5286
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 1 juli 2020

    ECLI:NL:GHARL:2020:5052

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Conclusie A-G · 10 mei 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:606
  4. Hoge Raad · 21 juni 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:904

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/02023

Datum 21 juni 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2020, nummer 21-006696-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze veertien maanden en een week beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2022.