Strafrecht overig

Profijtontneming, w.v.v. van € 3.390.652,25 uit hennepteelt in de periode 1 augustus 2005 t/m 3 juli 2013…

Hoge Raad, 21 juni 2022

Zaakgegevens

Op 21 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 juni 2022
Datum publicatie
20 juni 2022
Zaaknummer
20/02024
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:905
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. van € 3.390.652,25 uit hennepteelt in de periode 1 augustus 2005 t/m 3 juli 2013. Klachten over o.m. de motivering van de berekening van het w.v.v. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 20/02023, 20/02083 en 20/02084.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Nederland · 31 juli 2018

    ECLI:NL:RBNNE:2018:3049
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 1 juli 2020

    ECLI:NL:GHARL:2020:5053

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 10 mei 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:607
  4. Hoge Raad · 21 juni 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:905

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/02024 P

Datum 21 juni 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2020, nummer 21-005888-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nr. 20/02023, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2022.