Strafrecht overig
Motivering strafoplegging bij u.o.s. over de op te leggen straf, art. 359.2 Sv. HR: art. 81.1 RO, onder…
Hoge Raad, 5 juli 2022
ECLI:NL:HR:2022:977 · Hoge Raad · 5 juli 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2022-977
Zaakgegevens
Op 5 juli 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 juli 2022
- Datum publicatie
- 30 juni 2022
- Zaaknummer
- 19/01393
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2022:977
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Motivering strafoplegging bij u.o.s. over de op te leggen straf, art. 359.2 Sv. HR: art. 81.1 RO, onder verwijzing naar de zaak 19/01394, ECLI:NL:HR:2022:975 tegen dezelfde verdachte, waarin HR een gelijkluidend cassatiemiddel heeft besproken en verworpen. CAG: anders. Samenhang met 19/01394.
Procesgang
Rechtbank Gelderland · 22 februari 2016
ECLI:NL:RBGEL:2016:941Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 maart 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:2510(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 22 maart 2022
ECLI:NL:PHR:2022:270Hoge Raad · 5 juli 2022deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2022:977
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/01393
Datum 5 juli 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2019, nummer 21/001230-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 lid 2 gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de strafoplegging.
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. Vandaag heeft de Hoge Raad een gelijkluidend cassatiemiddel besproken en verworpen in zaak 19/01394, ECLI:NL:HR:2022:975, tegen dezelfde verdachte. De Hoge Raad hoeft daarom in deze zaak niet verder te motiveren waarom hij tot zijn oordeel is gekomen omdat het nu niet meer nodig is om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 21 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, M.J. Borgers, J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2022.