Strafrecht overig

Opzettelijk enig goed (een auto) aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag onttrekken (art. 198.1 Sr). 1…

Hoge Raad, 5 juli 2022

Zaakgegevens

Op 5 juli 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 juli 2022
Datum publicatie
1 juli 2022
Zaaknummer
21/02255
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:990
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzettelijk enig goed (een auto) aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag onttrekken (art. 198.1 Sr). 1. Verweer dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, nu deze onvoldoende duidelijk is, omdat in de tll. slechts is gesteld dat een auto aan een beslag is onttrokken. 2. Bewijsklacht t.a.v. het opzet op het onttrekken van de auto aan het beslag.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 25 mei 2021

    ECLI:NL:GHARL:2021:4941
  2. Conclusie A-G · 24 mei 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:471
  3. Hoge Raad · 5 juli 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:990

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/02255

Datum 5 juli 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 mei 2021, nummer 21-006176-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2022.