Strafrecht overig
Medeplegen uitvoer cocaïne en amfetamine in smokkelauto naar Zweden (art. 2.A Opiumwet), medeplegen…
Hoge Raad, 3 oktober 2023
ECLI:NL:HR:2023:1355 · Hoge Raad · 3 oktober 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2023-1355
Zaakgegevens
Op 3 oktober 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 oktober 2023
- Datum publicatie
- 2 oktober 2023
- Zaaknummer
- 21/02572
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2023:1355
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen uitvoer cocaïne en amfetamine in smokkelauto naar Zweden (art. 2.A Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen invoer cocaïne vanuit Peru (art. 10a.1 jo. 10.5 Opiumwet), deelneming aan criminele organisatie (art. 11b Opiumwet) en gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr). 1. Motivering bewezenverklaringen. Bevat aanvulling op verkort arrest de inhoud van alle bewijsmiddelen en zijn bewijsredenering en verwijzingen in (deels overgenomen) Promis-vonnis Rb voldoende nauwkeurig? 2. Bewijsklacht uitvoer harddrugs. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. opzet op uitvoer van harddrugs. 3. Afwijzing voorwaardelijk getuigenverzoek. 4. Bewijsklachten gewoontewitwassen.
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 21/02464, 21/02573 en 21/02579 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o) en 21/02455.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 11 juni 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:1722Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 juli 2023
ECLI:NL:PHR:2023:652Hoge Raad · 3 oktober 2023deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2023:1355
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02572
Datum 3 oktober 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 juni 2021, nummer 23-001151-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijk maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 68 maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 67 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2023.