Strafrecht overig

Medeplegen voorbereidingshandelingen hennepteelt (art. 11a Opiumwet). Bewijsklacht. HR: art. 81.1 RO…

Zaakgegevens

Op 14 februari 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 februari 2023
Datum publicatie
13 januari 2023
Zaaknummer
21/02103
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:36
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen voorbereidingshandelingen hennepteelt (art. 11a Opiumwet). Bewijsklacht. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 21/01975.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 4 mei 2021

    ECLI:NL:GHARL:2021:4241
  2. Conclusie A-G · 20 december 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:1213
  3. Hoge Raad · 14 februari 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:36

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/02103

Datum 14 februari 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 mei 2021, nummer 21-002680-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2023.