Strafrecht overig

Rijden onder invloed van amfetamine (art. 8.5 WVW 1994). 1. Bloedonderzoek, strikte waarborgen van art…

Hoge Raad, 30 mei 2023

Zaakgegevens

Op 30 mei 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 mei 2023
Datum publicatie
26 mei 2023
Zaaknummer
21/04006
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:811
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Rijden onder invloed van amfetamine (art. 8.5 WVW 1994). 1. Bloedonderzoek, strikte waarborgen van art. 13.1.d (oud) en 13.1.c Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Kon hof oordelen dat is voldaan aan voorschrift dat bloedmonster ‘zo spoedig mogelijk’ wordt bezorgd bij laboratorium a.b.i. art. 13.1.d (oud) Besluit, nu tussen datum van bloedafname en ontvangst monster door laboratorium in België 3 dagen zijn verstreken? Betekent ontbreken van sporenidentificatienummer op bloedblok a.b.i. art. 13.1.c Besluit dat geen sprake is van ‘onderzoek’ a.b.i. art. WVW 1994? 2. Behoort termijn van 2 weken a.b.i. art. 16.1 (oud) Besluit tot stelsel van strikte waarborgen? 3. Beroep op ‘détournement de pouvoir’ en verweer dat sprake is van onrechtmatige doorzoeking van het door verdachte bestuurde voertuig.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 9 september 2021

    ECLI:NL:GHDHA:2021:1843
  2. Hoge Raad · 30 mei 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:811

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/04006

Datum 30 mei 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 september 2021, nummer 22-005881-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. van Aken, advocaat te Geertruidenberg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde taakstraf van 34 uren, subsidiair 17 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2023.